Directe antiglobulinetest
Indicatie
De directe antiglobulinetest is aangewezen in de volgende klinische situaties
- bij patiënten met auto-immuunhemolytische anemie (AIHA)
Bij AIHA worden antistoffen gevormd tegen eigen antigenen
- bij hemolytische ziekte van de pasgeborene (HZP)
Bij HZP komen tijdens de zwangerschap IgG-antistoffen van de moeder terecht in de bloedsomloop van de foetus. Daardoor worden de erytrocyten van de foetus afgebroken, met hemolytische anemie tot gevolg.
- bij een acute transfusiereactie
Vereist monster
1 EDTA, veneus
Neonati: min. 500 µl
Verloop van de test
Eerst voeren we een bepaling uit door middel van polyspecifiek antiglobulinereagens (anti-IgG + anti-C3d). Daarna identificeren we de antistoffen door middel van monospecifieke reagentia anti-IgG, anti-IgM, anti-IgA, anti-C3d en anti-C3c. Als de reactie positief is met anti-IgG, voeren we een eluaat uit. Dat betekent dat we de antistoffen losknippen van de erytrocyten van de patiënt door middel van een zure elutietechniek. Daarna kunnen we deze antistoffen identificeren en titreren met behulp van een panel van testerytrocyten.
AIHA: testen, bloedselectie en behandeling
Testen bij AIHA
Bij AIHA worden antistoffen gevormd tegen eigen antigenen ten gevolge van een afwijking in het immuunsysteem. Bij de directe antiglobulinetest worden antistoffen of complementfactoren op de eigen erytrocyten opgespoord (tgv de activatie van antistoffen).
We maken een onderscheid tussen
- koude auto-antistoffen (enkel C3d +) type anti-I of anti-i
Koude auto-antistoffen zijn klinisch meestal belangrijk in geval van hoge titer (>64) of hoge thermale amplitude (nog aantoonbaar bij 30 °C of zelfs bij 37 °C). In dat geval zetten we de test koude agglutininen (link koude agglutininen onder Tests/Andere tests) in.
- warme auto-antistoffen (IgG + +/- C3d)
De warme auto- antistoffen kunnen interfereren met de kruisproef, antistofscreening en bloedgroepbepaling. Daarom voeren we ofwel een allo-adsorptie uit om onderliggende allo-antistoffen uit te sluiten of aan te tonen, ofwel voert HILA (link Hila/Homepage) een moleculaire typering uit van de RBC antigenen om geschikt bloed te selecteren.
Bloedselectie
Als er onderliggende allo-antistoffen aanwezig zijn, worden ze geïdentificeerd. We selecteren dan bloed dat negatief is voor de betreffende antigenen.
Betreft het een auto-antistof met een aantoonbare specificiteit ; vb. auto-anti-e dan kan in bepaalde gevallen donorbloed geselecteerd worden dat negatief is voor het betreffende antigeen om een compatibele kruisproef af te leveren.
Voorzorgen
De aanwezigheid van warme auto-antistoffen is vaak geassocieerd met onderliggende hematologische of andere ziekten zoals Hodgkin lymfoom, non-Hodgkin lymfoom, chronische lymfatische leukemie (CLL), multipel myeloom of infectieziekten. Verder onderzoek is dan zeker nodig.
Behandeling
De donorerytrocyten hebben een verkorte overlevingsduur in de circulatie van de patiënt, zodat transfusie enkel aangewezen is als het klinisch noodzakelijk is. De transfusie van erytrocytenconcentraat heeft slechts een tijdelijk effect en een tijdelijke verhoging van het hemoglobinegehalte vermits de donorerytrocyten even snel worden afgebroken als de eigen erytrocyten door de auto-antistoffen.
De behandeling bestaat veelal in de toediening van corticosteroïden en eventueel een hoge dosis IV-gammaglobuline. De corticosteroïden remmen de fagocytose die plaatsvindt bij de versnelde erytrocytenafbraak bij chronische AIHA. Daarnaast kan ook splenectomie of immunosuppressieve behandeling vereist zijn.
HZP: testen
Ernstige HZP
Bij HZP komen tijdens de zwangerschap IgG-antistoffen van de moeder terecht in de bloedsomloop van de foetus. Daardoor worden de erytrocyten van de foetus afgebroken, met hemolytische anemie tot gevolg. De frequentste antistoffen die kunnen leiden tot ernstige hemolytische anemie zijn de antistoffen tegen het resussysteem (D,c,E) en tegen het Kell-, Duffy-, Kidd- en Ss-systeem. Anti-D is de meest voorkomende antistof.
Tests in geval van ernstige HZP
- ABO- bloedgroepbepaling en resus D-bepaling van moeder en kind
- Opsporing (screening) onregelmatige antistoffen in het plasma van de moeder(kind) met identificatie en titerbepaling
- directe antiglobulinetest op de erytrocyten van het kind (opzoeken, differentiatie en identificatie door middel van elutie)
De titerbepaling geeft een idee over de ernst van de HZP:
Een stijging van de titer met meer dan 2 verdunningen of een titer hoger dan 16 kan gecorreleerd zijn met ernstige HZP.
Bij de bepaling van de titer voor de anti-D-antistof wordt deze steeds ingezet met een referentie-anti-D en uitgedrukt in mIU/ml: een titer hoger dan 4 mIU/ml is significant en kan geassocieerd zijn met HZP.
Bij de bepaling van de titer anti-D is heel moeilijk om een onderscheid te maken tussen actief gevormd anti-D en passief toegediend anti-D (resusprofylaxe Rhogam anti-D). Passief gevormd anti-D heeft zelden hoge titers (> 4) en neemt snel af in tijd.(halfwaardetijd bedraagt 23-26 dagen)
Milde HZP
Een frequente oorzaak van milde HZP is een ABO- antagonisme tussen de moeder en de baby. De moeder heeft veelal bloedgroep O, de baby bloedgroep A of B. In het bloed van de moeder komen in bepaalde gevallen naast natuurlijke anti-A en anti-B (type IgM-antistof) die de placenta niet kunnen passeren, ook immune anti-A en anti-B (type IgG) voor, die wel de placenta kunnen passeren en verantwoordelijk zijn voor de afbraak van de erytrocyten van de baby.
Tests in geval van milde HZP
- ABO- bloedgroepbepaling en resus D-bepaling van moeder en kind
- Opsporing (screening) onregelmatige antistoffen in het plasma van de moeder(kind) met specificiteit en titer
- directe antiglobulinetest op de erytrocyten van het kind (opzoeken, differentiatie en identificatie door middel van elutie)
- titer anti-A, anti-B in het plasma (serum) van de moeder
De opsporing (screening) van onregelmatige antistoffen is igv HZP tgv ABO antagonisme veelal negatief en hoge titers anti-A/B (> 500) worden teruggevonden in het plasma (serum) van de moeder.
Acute transfusiereactie: tests
In geval van een acute transfusiereactie worden in functie van het toegediende bloedproduct de volgende tests gebruikt ( bij allergische reacties op plasma dienen deze testen niet uitgevoerd te worden):
|
|
Patiëntenstaal vóór toediening (reeds aanwezig in labo) |
Patiëntenstaal na toediening |
Toegediend bloedproduct (indien ontvangen op het labo) |
|
ECL |
ABOD RH ondergroepen DAT Screening onregelmatige antistoffen (+ ID) Kruisproef Titratie anti-A en anti-B (enkel igv ABO foutieve toediening) |
ABOD RH ondergroepen DAT Screening onregelmatige antistoffen (+ ID) Kruisproef Beoordeling hemolyse Titratie anti-A en anti-B (enkel igv ABO foutieve toediening) |
ABOD RH ondergroepen DAT Beoordeling hemolyse Kweek* |
|
PLT |
|
|
Kweek* |
|
VPVIM |
ABOD (indien beschikbaar)
|
ABOD (Indien staal beschikbaar) Igv foutieve toediening: bloedgroep DAT Titer anti-A en/of anti-B |
ABOtegenproef (indien staal beschikbaar) Kweek* |
* Het aanvragen van een bacteriologische kweek is enkel zinvol indien het product kort na de reactie ontvangen werd en er nog voldoende materiaal aanwezig is.
Acute transfusiereacties moeten in het kader van de hemovigilantie gemeld worden via het hemovigilantieformulier
Het is van groot belang om een positieve antistofscreening die een klinisch belangrijke antistof identificeert, te registreren in het transfusiedossier van de patiënt. Bij een transfusie moet men steeds bloed selecteren dat negatief is voor het corresponderende antigeen, zelfs al ligt de gevonden antistof onder de detectielimiet. Als men daarmee geen rekening houdt, kan dat leiden tot een uitgestelde ernstige hemolytische transfusiereactie als gevolg van boostering van de antistoffen (vb. antistoffen van het Kidd systeem).